Deze website maakt gebruik van cookies.

Samenvatting regeerakkoord

12-10-2017 | Bron: VNPF

VNPF heeft de, voor onze sector, belangrijkste afspraken uit het regeerakkoord samengevat. Een downloadbare pdf is voor leden hier te downloaden.

Belangrijkste afspraken regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst 2017-2021

Cultuurparagraaf (p19)

  • In 2018 wordt het rijkscultuurbudget verhoogd met €25 miljoen. In 2019 met €50 tot een structurele verhoging van €80 miljoen vanaf 2020.
  • Basisinfrastructuur wordt uitgebreid. Nederlandse topinstellingen kunnen hierdoor hun positie in binnen- en buitenland vasthouden.
  • Geefwet blijft.
  • Vernieuwing en talentontwikkeling krijgen meer ruimte bij de cultuurfondsen.
  • Kunst en cultuuraanbod dient voor iedereen bereikbaar te zijn, zowel in de Randstad als de regio.
  • Fonds voor Cultuurparticipatie krijgt meer middelen voor het behoud en de ontwikkeling van volkscultuur.
  • Monumenten, kunstwerken en archieven worden beschermd en toegankelijk gemaakt, ook met behulp van digitalisering.
  • Particuliere monumentenbezitters blijven financieel gesteund worden.
  • Overheid blijft garant staan voor geleende topstukken (indemniteitsregeling) zodat tentoonstellingen makkelijker tot stand komen.
  • Op school leren kinderen het Wilhelmus inclusief de context ervan en de regering maakt het mogelijk dat alle kinderen tijdens hun schooltijd het Rijksmuseum en het parlement bezoeken.
  • Investeren in het beter zichtbaar maken en zo mogelijk toegankelijk maken van historische plaatsen in het land die het verhaal van onze geschiedenis vertellen. De in 2006 opgestelde nationale canon is hierbij leidend.

Arbeidsmarkt en sociale zekerheid (p22)

Algemeen
Het verschil tussen vast en flex moet kleiner worden volgens de coalitie. Voor werkgevers wil zij het aantrekkelijker maken en minder risicovol om mensen in reguliere loondienst te nemen. Ook noodgedwongen zzp’ers moeten de kans krijgen in loondienst te treden of een redelijk tarief te hanteren.

Ontslag en transitievergoeding (p22)

  • Ontslag moet gemakkelijker worden; er wordt een cumulatie van ontslaggronden toegestaan, eventueel met 50% extra transitievergoeding.
  • De transitievergoeding bij ontslag wordt gewijzigd ten behoeve van meer balans:
    • werknemers krijgen vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst transitievergoeding in plaats van na twee jaar.
    • Voor elk jaar dienstverband gaat de transitievergoeding 1/3 maandsalaris bedragen, ook voor contractduren langer dan 10 jaar (in plaats van 1/2 v.a. 10 jaar).
    • Ook wordt het mogelijk om opleiding wegens brede inzetbaarheid binnen de eigen organisatie van de transitievergoeding af te trekken.
    • Transitievergoeding na ontslag wegens langdurige ziekte wordt gecompenseerd voor de werkgever.
    • Overbruggingsregeling kleine werkgevers wordt ruimer en eenvoudiger.

Tijdelijke contracten (p23)

  • Uitgangspunt van een minimale tussenpoos van zes maanden tussen (reeksen van) contracten blijft gehandhaafd, echter sectoraal kan worden afgeweken. Hier ligt een rol voor sociale partners.
  • Pas na drie jaar aan (reeksen van) contracten ontstaat een contract voor onbepaalde tijd. Dit is een verruiming ten opzichte van de huidige twee jaar.
  • De mogelijkheden tot proeftijd worden verruimd:
    • vijf maanden wanneer gelijk een contract voor onbepaalde tijd wordt verleend;
    • in bepaalde tijd contracten langer dan twee jaar kan een proeftijd van maximaal drie maanden worden afgesproken.

Payrolling (p23)
De mogelijkheden tot payrolling worden in die zin beperkt dat deze constructie niet enkel wordt gekozen om op arbeidsvoorwaarden te concurreren. Voor organisaties die veel van payrolling gebruikmaken kan dit consequenties hebben:

  • het soepeler arbeidsrechtelijk regime van uitzendovereenkomsten wordt op payrolling buiten toepassing verklaard. Werknemer in payroll moeten op primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden ten minste gelijk behandeld worden als werknemers van de inlener.
  • Het systeem van payrolling zal fundamenteler worden herzien en meer aanpassingen vallen te verwachten.

Nulurencontracten (ook wel ‘oproepovereenkomsten’ genoemd) (p23)

  • Nodeloze beschikbaarheid van een oproepkracht wordt tegengegaan; de oproepkracht moet ook andere (deeltijd)banen kunnen accepteren. De termijn van oproepen wordt in sommige situaties aangepast en afzeggen leidt in situaties tot doorbetalingsplicht.

Werken als zelfstandige (p25)

  • Voor zzp-ers wordt bepaald dat altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij:
    • een laag tarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst of
    • een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. 
  • Wat een laag tarief is, wordt gedefinieerd als corresponderend met loonkosten tot 125% van het wettelijk minimumloon of met de laagste loonschalen in cao’s. Er wordt één tarief gekozen om voor de gehele markt de onderkant af te bakenen. Op basis van de gehanteerde argumentatie zal dit tarief vermoedelijk liggen in een bandbreedte tussen de 15 en 18 euro per uur. Een langere duur wordt gedefinieerd als langer dan drie maanden.
  • Aan de bovenkant van de markt wordt voor zelfstandig ondernemers een ‘opt out’ voor de loonbelasting en de werknemersverzekeringen ingevoerd, indien er sprake is van:
    • een hoog tarief in combinatie met een kortere duur van de overeenkomst of
    • een hoog tarief in combinatie met het niet verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten.
  • Bij een hoog tarief denkt het kabinet aan een tarief boven de 75 euro per uur. Een kortere duur wordt gedefinieerd als korter dan een jaar.
  • Voor zelfstandigen boven het ‘lage’ tarief wordt een ‘opdrachtgeversverklaring’ [VNPF: dit is de vervanger van de modelovereenkomst] ingevoerd. Deze geeft opdrachtgevers vooraf duidelijkheid en zekerheid bij de inhuur van zelfstandig ondernemers. Opdrachtgevers krijgen deze verklaring via het invullen van een webmodule. Met deze opdrachtgeversverklaring krijgt een opdrachtgever zekerheid vooraf van vrijwaring van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen (tenzij de webmodule niet naar waarheid is ingevuld [VNPF: dit is een belangrijke zinsnede!]). In de webmodule wordt een aantal duidelijke vragen gesteld aan de opdrachtgever over de aard van de werkzaamheden. Daarbij wordt ten behoeve van de webmodule het onderdeel ‘gezagsverhouding’ verduidelijkt (bijvoorbeeld dat het enkel moeten bijwonen van een vergadering op zichzelf geen indicatie van gezag is). Tevens zal het kabinet de wet zo aanpassen dat gezagsverhouding voortaan meer getoetst wordt op basis van de materiële in plaats van formele omstandigheden.
  • De markt krijgt de tijd om te wennen aan veranderde wet- en regelgeving. Het huidige handhavingsmoratorium [VNPF: het niet handhaven van de Wet DBA] wordt na invoering van de bovenstaande maatregelen gefaseerd afgebouwd. Na invoering van de nieuwe wetgeving geldt maximaal een jaar een terughoudend handhavingsbeleid (onder andere geen boetes na eerste controle), waarin de Belastingdienst een coachende rol heeft en partijen helpt bij de toepassing van de nieuwe regelgeving.
  • Het kabinet gaat verkennen, ook in overleg met sociale partners en veldpartijen, of en hoe zelfstandig ondernemerschap via de invoering van een ondernemersovereenkomst een eigen plek zou kunnen krijgen in het burgerlijk wetboek. Dit zou de positie van zelfstandig ondernemers kunnen verhelderen en verstevigen [VNPF: verwacht hier niet te veel van].
  • Het kabinet zal in gesprek gaan met de verzekeraars om een beter verzekeringsaanbod voor arbeidsongeschiktheid te bevorderen.

Verlichting van de verplichtingen voor loondoorbetaling bij ziekte (p24)

  • Voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) wordt loondoorbetalingsperiode verkort van twee naar één jaar. Dit om te bevorderen dat het MKB weer meer personeel in (vaste) dienst durft te nemen. De collectieve kosten van het tweede jaar worden gedekt via een uniforme lastendekkende premie, te betalen door kleine werkgevers.
  • De periode waarvoor premiedifferentiatie geldt in de WGA, wordt verkort van tien jaar naar vijf jaar. Daarmee wordt voor alle werkgevers de periode waarover risico wordt gelopen in het geval een van hun werknemers arbeidsongeschikt wordt, aanzienlijk beperkt. Na de periode van premiedifferentiatie wordt een collectieve, uniforme premie geheven.

Differentiatie van de WW-premie naar type contract (p24)

Het kabinet gaat bekijken hoe de premiedifferentiatie in de WW kan bijdragen aan het aantrekkelijker maken van het vast contract. Momenteel is er sprake van premiedifferentiatie per sector; de lasten van de eerste zes maanden WW worden per sector omgeslagen. In plaats van deze sectorale differentiatie kan gekozen worden voor een vormgeving over de eerste zes maanden WW waarbij contracten voor onbepaalde duur een lager premiepercentage toegerekend krijgen dan contracten voor bepaalde tijd. Hiermee wordt het vaste contract – het contract voor onbepaalde tijd – aantrekkelijker.

Partnerverlof en uitbreiding kraamverlof (p27)

  • Het partnerverlof bij geboorte wordt per 1 januari 2019 verruimd van twee dagen naar vijf dagen.
  • Per 1 juli 2020 krijgen partners aanvullend vijf weken kraamverlof welke moet worden opgenomen binnen het halfjaar na geboorte. Hiervoor ontvangen zij een UWV-uitkering van 70% van het dagloon.

Leven lang leren (p27)

Er wordt een individuele leerrekening opgezet voor alle Nederlanders die een startkwalificatie hebben behaald. Deze vervangt de fiscale aftrekpost voor scholingskosten van de werkgever.

Vrijwilligers (p16)

Het kabinet gaat de maximaal onbelaste vrijwilligersvergoeding verhogen. Aan vrijwilligers kan momenteel, onder voorwaarden, een bedrag van maximaal €1.500 per kalenderjaar als onbelaste vergoeding worden verstrekt. Dit bedrag wordt met €200 verhoogd.

Vernieuwing van het pensioenstelstel (p29)
Voortbouwend op adviezen en rapporten van de Sociaal Economische Raad (SER), wil het kabinet het pensioenstelsel hervormen tot een meer persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling. Hierbij wordt de doorsneesystematiek afgeschaft. Het kabinet ziet met belangstelling een gedragen voorstel van de SER tegemoet.

Hervorming belastingstelsel (p35)

  • Het lage btw-tarief wordt verhoogd van 6% naar 9%. Het kabinet heeft hiertoe besloten om ruimte te creëren om de belastingen op inkomen te verlagen.
  • De zelfstandigenaftrek zal vanaf 2020 in 4 jaarlijkse stappen van 3%-punt worden verlaagd naar het basistarief.
  • De statutaire tarieven in de vennootschapsbelasting gaan in stappen van 20% en 25% naar 16% en 21% per 2021. 

Download hier de PDF voor leden.